Behind the Poetry

Steff Geelen

Ik zocht naar brandnetel en duizendblad
toen ze kwamen. Een legioen, zo erg vreesden
ze me. De zon een kogel aan de kale lucht.

Dans niet op café. Lach niet teveel. Vloek minder. Steek je nek niet uit. Houd je koest, anders gaan de buren praten. Bevriend geen kind. Streel geen pasgeborene over de bol. Praat niet tegen dieren. Voed de roddels niet, anders gaan de buren praten. Staar niet te lang naar boven. Zoek niets achter de sterren. Geloof niet in de genezende kracht van planten. Buig je hoofd voor God. Spreek een man nooit tegen, anders-

Vuisten, laarzen, gebonk, gestamp, daar zijn de schepel en scholtis. Barbaren!
Met al het bloedvergieten van hun voorvaderen in de vingers geklemd
Stapstruikelend over de drempel, sleuren me de Christoffelstraat door –
Lang, het duurt zo lang. Dan eindelijk de kathedraal,
ridder met zijn blikkerende lans in de lucht.

De nacht in de Rattentoren is van de duivel, de beul en het brandijzer.
Ze takelen me de wipgalg op.
Heeft de duivel je ertoe aangezet? Mien erm
Hoe kwam je bij de heksensabbat? Mien erm
En wie heb je daar gezien? Mien erm
Elberte, of Naele soms?
Alith, Mericken, Quiss?
Mijn armen trekken traag mijn schouders uit de kom.

De waarheid is glas in de handen van een beul, breken
slechts beroep. Oh hart, rotte appel
vissenschub, vrouw holle. Ik fonkel en schuimbek
spuug, bloed en verraad in duizend tongen al die vrouwen
hun dood tegemoet.

Op twitter lees ik dat Iraanse troepen mikken op de ogen
van vrouwelijke demonstranten.
Er is een klopjacht gaande.
Een homoseksuele dichter moet onderduiken door doodsbedreigingen.
Kaag krijgt een warm welkom in Diepenheim.
Er is een klopjacht gaande.
Rechtse complottheorieën bijten
zich een weg door mijn tijdlijn
En ich bin ein heks. Altieëd en euveral bin ich ein heks.
Dan vind ik mezelf weer geketend in een kelder
Met mijn pijn en de beul, mijn beste vriend

Dit lichaam is niet meer van mij sinds wrede handen
slakkensporen trokken van bloed. Overdag
een vrouw met een masker, ’s nachts
een dier dat richting de duivel snelt.

Hij, hij is de enige duivel die ik ken!
Je kunt ons horen op ‘t aje kirkhoaf, wanneer de maan
Haar volle buik toont. Ook de doden dromen nog
van het gekerm en gejammer, van pieken
en haken en van het vuur, oh van vuur van het.

Nu is het stil op de Galgenberg
Nu is het stil op de Kitsenberg
Nu is het stil in het Jammer- en Richterdal
Nu is het stil waar de weg zich splitst naar Heinsberg en Herkenbosch
Nu schuilen de bomen bij elkaar als stille getuigen, omhelzen
met hun wortels mijn gebeente.

Brandhout, ik denk dat ik brandhout ruik, een vonk die knettert in mijn neus.
Ik rammel mijn botten en klim via de ruggenwervels van een vreemd lichaam
omhoog omhoog omhoog om nog een keer mijn stem te verheffen:

Ik zweer mijn ziel voor eeuwig een rel te laten zijn!

Would you like to join a Poetry Slam?